Ben Buitendijk

Hart van Vuur

1. Ogen van vuur

'Goedemorgen, Dabbe, Krit, Kumme! Daar ben ik weer.'

Mirte van de Woeste stapte, zoals elke morgen, de stal binnen. Ze snoof de vertrouwde geur op. De twee paarden briesten zachtjes. Dabbe de twee jaar oude koe keek haar aan met een mild verwijt in haar ogen.

'Je bent zo aan de beurt, Dabbe,' zei ze terwijl ze de twee emmers van het juk losmaakte en bij de koe op de grond zette. Het juk hing ze aan de muur. 'Ik weet dat ik laat ben. Er was iets … raars in de lucht. Ik weet niet wat. Ik rook niets. Ik kon niets zien of horen. En toch … Het voelde niet goed.'

Ze aaide de koe over haar hals. Dat was iets wat haar anders altijd kalmeerde, maar dit keer had het weinig effect. De onrust liet zich niet verdrijven.

Vervolgens liep ze naar Krit, de oude ruin van haar vader. Hij keek haar vals aan. Ze was met hem opgegroeid, maar om de een of andere reden mocht hij haar niet. Zoals altijd stak ze haar hand uit om het dier over de neus te aaien, maar hij probeerde haar te bijten. Zijn tanden klapten hard op elkaar. Krit snoof.

'Je bent gewoon niet snel genoeg, Krit.'

Mirte haalde een grote appel tevoorschijn uit haar zak. 'Kijk eens.' Ze hield de appel omhoog. 'Gisteren vers geplukt.'

Krit brieste.

'Dat dacht ik al.'

Mirte trok haar dolk en sneed de appel in vieren. Ze veegde de dolk af aan haar broek en stak hem weer in zijn schede. Een part hield ze op haar vlakke hand voor Krits neus. Hij snaaide de appel van haar hand. Mirte aaide hem nu over zijn neus. Nu liet hij haar begaan. 'Ik houd toch van je, Krit,' verzekerde ze hem.

'Jij ook wat, Kumme?' vroeg ze, terwijl ze naar de andere box liep.

De driejarige merrie die tegenwoordig het meeste werk op de hoeve deed, brieste zachtjes en duwde haar neus tegen Mirte's schouder.

'Ik hou ook van jou,' zei Mirte en hield een part voor haar neus. Voorzichtig pakte de merrie het vast en verorberde het met zichtbare tevredenheid.

Ondertussen stak Mirte ook zelf een stuk in haar mond. Hij smaakte verrukkelijk. Ze kauwde bedachtzaam, genietend van de zoetzure smaak. Het laatste stuk volgde al snel. Mirte wreef Kumme over haar neus en liet haar hand langs haar hals omlaag glijden. Als ze groot genoeg was, mocht zij op Kumme rijden, had haar vader beloofd.

'En nu wij, dame,' zei ze naar Hadde lopend. Ze tilde het krukje van de muur en zette de eerste emmer op zijn plaats. Met haar hoofd tegen het stevige lichaam van de koe leunend begon ze te melken. Toen de emmer halfvol was, ruilde ze die met de lege en melkte verder.

'Zo.' Mirte hing het krukje weer op zijn plaats. Ze sloeg haar armen om de hals van de koe. 'Dank je, Dabbe.' De koe loeide zacht in antwoord.

'Nou, jullie nog,' zei ze terwijl ze naar het kippenhok liep. Nu het wat kouder begon te worden sliepen de kippen in het nachthok binnen in de stal. Mirte trok het luik open waarlangs ze weer naar buiten konden. Ze legde haar oor tegen de wand van het hok en hoorde hoe de kippen zacht klokkend naar buiten liepen. Na het ontbijt zou ze hen wat graan geven maar nu moest ze eerst de melk naar binnen brengen.

Ze hing het juk weer over haar schouders en haakte de emmers vast. Ze strekte haar benen. Het was zoveel makkelijker te dragen op deze manier.

Even later stond ze buiten en keek om zich heen. Het beloofde een mooie herfstdag te worden met veel zon.

Maar het gevoel van onrust was er nog steeds.

Haar blik gleed omhoog naar de bosrand in het zuidwesten waar het land wat hoger was.

Ze verstijfde.

Daar in de schemering onder de bomen brandden twee rode lichtjes. Ogen, wist ze meteen, ogen als vuur.

Er was daar iets. En toen was het weer weg.

Mirte wreef in haar ogen en tuurde naar de plek waar ze de ogen had gezien. Maar er was niets meer nu.

Ze keek achter zich. Daar kwam de zon net boven de bomen uit. Was het een lynx geweest en had ze enkel de reflectie van het zonlicht in zijn ogen gezien? Maar hun ogen lichtten niet rood op, meer groen.

Mirte huiverde. Wat kon het anders geweest zijn?

Ze stak het erf over en ging het woonhuis binnen

*

'Wat is er, Mirte?' Haar vader, Tarren van de Woeste, een joviale, krachtig gebouwde man van iets meer dan dertig jaar oud, bekeek haar met een diepe frons. 'Je ziet eruit alsof je een geest hebt gezien.'

'Geen geest, denk ik,' zei Mirte. 'Maar ik dacht heel even dat ik in de bosrand twee ogen zag die brandden als vuur. Ze leken naar mij te kijken maar verdwenen toen ik keek.'

Haar vader verbleekte. 'Ogen van vuur?' fluisterde hij.

Hij kwam overeind en liep met soepele tred door de kamer. Hij was op en top krijger, de beste in de Schenking. Zij had zijn rode krullen en daar was ze trots op.

'Wat is er aan de hand, Tarren?' Mirte's moeder, Valle, kwam de kamer in. Haar ogen flitsten heen en weer tussen Mirte en haar vader. Zij was korter dan haar man, slank en, vond Mirte, bijzonder mooi met haar lange blonde haren in een lange vlecht over haar schouder.

'Ik weet het niet,' zei hij. 'Er lopen nog zoveel schepselen rond in deze wereld die ik nog nooit gezien heb, waar ik nog nooit van gehoord heb …'

Mirte's hart begon harder te bonzen bij die gedachte. Al die schepselen …

Haar vader bleef een ogenblijk bij de deur staan. 'Blijf allebei binnen tot ik terug ben.' Zijn stem duldde geen tegenspraak.

Mirte staarde haar vader met grote ogen aan. Zo had ze hem nog nooit meegemaakt. Ze was ervan overtuigd dat hij tegen elke situatie opgewassen was. Maar nu leek hij … onzeker.

Hij sloot de deur zorgvuldig achter zich. Mirte hoorde hoe hij zijn zwaard trok.

'Wat is er, mamma?' vroeg Mirte. Ze liet de emmers melk op de grond zakken, maakte het juk los en hing het op zijn plaats.

'Ik weet het ook niet, liefje,' zei ze.

Mirte kon ruiken dat haar moeder bang was. Doodsbang. Ze legde haar handen beschermend op haar buik. Mirte had haar dat nog nooit eerder zien doen.

'Mam?'

Valle keek naar haar buik en toen naar Mirte. Ze glimlachte krampachtig. 'Het is nog heel vroeg,' zei ze zacht. 'Maar waarschijnlijk krijg je een broertje.'

'Een broertje?'

'Ik verwacht een baby, Mirte. Over een half jaar, of zo.'

'Oh, mam. Dat is … fantastisch!' Mirte sloeg haar armen om haar moeder heen. Ze wist dat dit haar moeders grote verlangen was, al jaren.

'Dat is het.'

Mirte liet haar moeder los. Haar ogen gingen nu naar de muur waar haar zwaard hing. Ze aarzelde niet. Ze tilde het van zijn haken en gordde het aan. Niemand zou aan haar moeder komen, of aan haar broertje.

'Breng de melk naar de keuken,' zei haar moeder terwijl ze een traan wegveegde. Ze pakte zelf de eerste emmer en liep ermee naar de keuken.

Mirte was liever naar het raam gelopen om te zien wat haar vader deed, maar ze snapte dat haar moeder dit nodig had en volgde met de tweede emmer.

Haar moeder had de emmer op de werktafel getild en staarde nietsziend voor zich uit. De geur van angst vulde de ruimte.

'Ik weet zeker dat het niets bijzonders was,' zei Mirte. Ze probeerde nonchalant te klinken. 'Vast een lynx of zo, waarvan ogen oplichtten. De zon stond precies achter me.'

Haar moeder keek haar met een zwakke glimlach aan. 'Dat zal het wel geweest zijn.'

Maar ze klonk verre van overtuigd. En Mirte kon haar geen ongelijk geven. Ze geloofde het zelf ook niet.

Samen zeefden ze de melk en ruimden die op. Ze zetten het ontbijt klaar.

Enige tijd later kwam haar vader weer binnen. Mirte liep meteen de kamer weer in op de voet gevolgd door haar moeder.

'En?'

'Ik weet het nog steeds niet,' zei hij. Hij oogde nog steeds gespannen. 'Ik heb geen bijzondere sporen gevonden. 'Ik heb geen idee wat het geweest kan zijn.'

Hij staarde een ogenblik voor zich uit, zijn handen in zijn zij.

'Voorlopig gaat er niemand alleen het bos in. En nooit ongewapend.'

'Wat is er aan de hand, pap?' vroeg Mirte.

Hij keek haar aan. Geen spoor van de speelse manier waarop hij voorheen dit soort vragen afgewimpeld had. Dit was ernst.

'Dat weet ik niet. Maar we zijn hier op onszelf aangewezen. We moeten voorzichtig zijn.'

'Maar u vermoedt iets,' drong ze aan.

Hij knikte. 'Maar dat kan ik je nog niet vertellen.'

Mirte stampte op de grond. 'Dat zegt u iedere keer.'

'Dat klopt,' zei hij zacht. 'Maar het is nog te vroeg. Vertrouw me.'

Dat viel niet mee. Maar ze kon voelen dat het belangrijk voor hem was. Het had iets te maken met vage opmerkingen die hij af en toe tegen haar moeder gemaakt had wanneer hij dacht dat zij hen niet kon horen. Dat 'zij' hen hier nooit zouden kunnen vinden. Wie die 'zij' waren, wist ze niet. Maar er was een reden waarom ze op deze afgelegen hoeve woonden. En waarom er nooit iemand op bezoek kwam.

Ze had haar moeder ernaar gevraagd. Maar ook zij had niets willen zeggen. 'Voor dat verhaal ben je nu nog te jong,' had ze gezegd. 'Wanneer je vijftien wordt, dan vertellen we je het hele verhaal.' Dat duurde nog iets meer dan twee jaar.

'Wat doen we, Tarren?' vroeg haar moeder.

'Voorzichtig zijn.'

Hij liep naar zijn stoel en liet zich erin zakken. 'Ik maak vanmiddag een ronde om de hoeve. Als er een spoor is, dan vind ik het.'

'Mag ik dan mee, pap?' vroeg Mirte. 'Ik kan net zo goed spoorzoeken als u!'

'Nee!' Het antwoord was ongewoon scherp. Vermoedde hij iets? Iets wat zij niet mocht weten? 'Dit onderzoek ik zelf.'

*

Maar hij vond niets bijzonders en trok de beperkingen die hij Mirte en zijn vrouw had opgelegd, in. 'Maar misschien is het wel beter dat je altijd je zwaard draagt als je naar buiten gaat.'

Dat vond Mirte helemaal niet erg want ze voelde zich een stuk veiliger met het staal aan haar zij. Zo had ze het gevoel dat ze alles aankon. En ze had nu een hele goede reden om altijd bereid te zijn.

Zodra haar werk het toeliet, glipte Mirte naar de plek waar ze de ogen had gezien. Het enige dat ze er vond was een zwakke geur van een hond. Zou het dan gewoon een hond zijn geweest? Maar waar was die dan heen gegaan? Waarom was hij niet naar de hoeve gekomen? Voor zover zij wist, zochten honden altijd het gezelschap van mensen.

* * *


Wil je meer lezen? Schaf dan het hele boek aan.